Ryuji Miyamoto (Tokyo, 1947) fotografeert kapotte, verwrongen architectuur. Soms is er sprake van natuurgeweld, soms is stadssanering de oorzaak. Waar het echt over gaat is Miyamoto's methode om het 'nu' vast te leggen. Het gebouw heeft misschien bestaan (maar wat ís dat, bestaan? Kan een gebouw zíjn?) Wat is de toekomst van deze plek? Kan het gebouw gerepareerd worden? Komt er een nieuw gebouw? Komt er een park? Maar, net als het verleden, is de toekomst afwezig op het moment van de opname. Geen herinnering, geen weemoed, geen hoop, geen verlangen. Er is alleen de bevroren explosie van het nu. Hierbij een afbeelding uit Miyamoto's serie After the earthquake (boven) en een foto die ik afgelopen zondag zelf maakte in het centrum van Rotterdam.
maandag 12 maart 2007
Nu
zondag 11 maart 2007
donderdag 8 maart 2007
Blow up en Baudrillard
De ‘afscheidscollegereeks’ Big City door Cobi Bordewijk (docent Theater- en filmwetenschap, universiteit Leiden) beleefde donderdagavond de vierde aflevering. Thema was het ‘swinging London’ van de jaren zestig. Onder andere Room at the top (Jack Clayton), Antonioni’s Blow up en Frears’ Sammy and Rosie get laid passeerden de revue. A hard day’s night, werd in zijn geheel vertoond. Deze Beatlesfilm is in meerdere opzichten erg aardig, maar zou goed aansluiten bij Van Krimpen’s huidige tentoonstelling over the sixties (ook leuk, maar oppervlakkig). Jammer dat Blow up niet was gekozen. Deze film, gebaseerd op een verhaal van Julio Cortázar, sluit sterk aan bij de similacrum theorie van Jean Baudrillard. Het zou een aardig saluut zijn geweest aan de drie dagen geleden overleden filosoof.
Behalve de broeierige erotisch getinte scenes in Blow up, herinner ik me vooral ook de ‘tennisbalscène’ tegen het einde van de film, welke overigens ook door Bordewijk in haar synopsis van de film werd omschreven. Deze scène toont de vage grens tussen waan en werkelijkheid. De fotograaf Thomas (David Hemmings) ontmoet in een park een groepje mimespelers op een tennisbaan; er wordt getennist zonder rackets; een onzichtbare bal wordt heen en weer geslagen. Je hoort het pok-pokgeluid, een geluid dat er niet is, alleen in Thomas’ gedachten. Als de bal ‘per ongeluk over het hek geslagen wordt’, speelt Thomas het spel mee; hij ‘raapt de bal op en werpt hem terug’ naar de spelers.
woensdag 7 maart 2007
Van Caldenborgh's kunst
Joop van Caldenborgh is in Nederland waarschijnlijk de grootste verzamelaar van moderne en hedendaagse kunst. Bij zijn Wassenaarse huis heeft hij een imposante beeldentuin en in het hoofdkantoor van zijn bedrijf (Caldic Chemie) aan de Rotterdamse Blaak zijn wisselende exposities. Van Caldenborgh verzamelt al veertig jaar. Zijn collectie is puur persoonlijk. Sinds de laatste vijftien jaar heeft hij wel een conservator in dienst. Deze heeft echter niet veel meer bevoegdheden dan registratie en onderhoud, het letterlijke conserveren dus. Wel mag zij uitzoeken wat uit de collectie bij de werkplekken kan worden gehangen. Thema's bedenkt Van Caldenborgh zelf, of komen tot stand in samenspraak met zijn dochter en zijn conservator (als ik het goed begrepen heb). En ja, ook over de aankopen beslist hij zelf. De conservator benadrukt dat het om een privéverzameling gaat, geen bedrijfscollectie. Gisteren was ik, met twintig andere leden van een kunsthistorische vereniging, te gast op het hoofdkantoor.
Veel grote namen; verder valt niet zoveel te melden over de huidige tentoonstelling, die al weer bijna bleek afgelopen. Het thema is de Nederlandse 'Nul-groep' in samenhang met buitenlandse minimalisten. De expositieruimte bestaat uit hal en gangen tussen de kantoren. Het oogt steriel. Mede onder invloed van de vele 'Schoonhovens', overheerst de niet-kleur 'wit'. Vinden de administratieve medewerkers het leuk te werken tussen zoveel kunst? Volgens de bedrijfspolicy moet men - om de kunstvoorwerpen zo goed mogelijk tot hun recht te laten komen - zuinig zijn met kalenders en familiefoto's. De gemiddelde kantoorbediende staat niet bekend om zijn liefde voor de Grote Kunst. Onder de werknemers van Caldic lijkt dat niet anders. Er wordt gegniffeld om die dames en heren die zo serieus met elkaar fluisterend langs de hobby van hun baas schuifelen.
Overigens is Van Caldenborg niet kinderachtig met zijn bezit. Hij wil graag dat belangstellenden er kennis van kunnen nemen. Vandaar de rondleidingen op zijn landgoed en in zijn bedrijf. Je wordt van een versnapering voorzien en krijgt nog een fraaie (in eigen beheer uitgegeven) catalogus mee ook.
De afbeelding hierbij van een reliëf van Jan Schoonhoven uit 1969, is niet uit de Caldic Collectie, maar uit die van het Haagse Gemeentemuseum. (Fotograferen is uit den boze bij Caldic).
zaterdag 3 maart 2007
Witte de With, Chloe Piene
Chloe Piene (V.S. 1972) toont video's en tekeningen. De video's laat ik hier even buiten beschouwing. Ik was vooral getroffen door de tekeningen. Piene tekent met houtskool op vellum (een fijn soort perkament). In een enkele lijn zet zij haar figuren op het papier. Die lijn is soms krachtig, dan weer enigszins onvast, zoekend; soms dik en zwart, dan weer grijs, wazig; een curve, die zowel doordacht en trefzeker overkomt, maar tegelijkertijd in een trance lijkt te zijn ontstaan. Piene wil door lichamen heen kijken. Daardoor zijn haar naakten 'naakter dan naakt': onder - of liever naast - een blote borst, zie je botten en soms een illusie van ingewanden. Haar werk doet denken aan zeventiende-eeuwse vanitas-voorstellingen; qua uitdrukking is zij echter schatplichtig aan Egon Schiele. Het bekoort niet, maar maakt wel indruk.
Witte de With, Jesper Just
Volgens Michelangelo bevat een stuk steen reeds de - door God ontworpen - figuur, die alleen nog - door de kunstenaar - moet worden bevrijd. Analoog aan deze opvatting stelt de Deense kunstenaar Jesper Just (1974), dat locaties intrinsieke verhalen bevatten. Just (spreek uit: ‘joest’) bedient zich van video en film om zijn artistieke denkbeelden te verwezenlijken. Hij toont daarbij een opvallende voorkeur voor stereotiepe film noir-locaties, zoals parkeergarages, daken, verlaten haventerreinen. De genius loci van zo’n plek voorspelt Moord & Doodslag, Beroving & Verkrachting. Maar Just gebruikt die filmclichés vooral om dergelijke verwachtingspatronen te beïnvloeden en te doorbreken. Onverwacht wordt een sentimenteel - kitscherig - lied ten gehore gebracht, een verleidelijke dans uitgevoerd. Maar ook, als metafoor van de hersenspinsels van zijn vaste protoganist (Johannes Lilleøre), zet Just een dozijn, agressieve klanken uitstotende, koorleden hand-in-hand op een dakrand. Verbaasd zie je hoe zij uiteindelijk (nog steeds hand-in-hand) de diepte kiezen. Daar komt dan tóch De Dood nog even langs, zij het op onverwachte en ongebruikelijke wijze. (Foto: It will all end in tears, © Jesper Just 2006).
Gisteravond, tijdens de opening van zijn eerste solo expositie in Nederland, werd Jesper Just (l.) geïnterviewd door Chris Keulemans.
woensdag 21 februari 2007
Gent (4) Museum Dr. Guislain
Diep in de kragen gedoken trotseerden wij gure wind en laffe motregen. Langs een schier eindeloos, naargeestig kanaal bereikten we eindelijk het museum. Binnen was het gelukkig warm. We griezelden en gniffelden ons door zalen met leugendetectors, dwangbuizen en schedelmeetapparatuur. We bekeken tekeningen, schilderijen en assemblages van psychiatrische patiënten en van kunstenaars die de psyche als subject in hun werk hebben gekozen. Kunstenaar en patiënt zijn meestal goed te onderscheiden. We vroegen ons af hoe dat zit. Misschien komt het doordat de patiënt vaak geen ervaring heeft met techniek en materiaalkeuze. Hij lijkt geen plan te hebben gemaakt; noch voor de totstandkoming van het werkstuk, noch voor het uiteindelijke resultaat. Je ziet bijvoorbeeld houterig opgezette contouren, waarbinnen de vlakken zijn opgevuld met potloodkrassen.
Het Guislain Museum is ondergebracht in een 19de-eeuws gebouwencomplex. De in België vermaarde psycho-analist Guislain ontwierp zelf de gebouwen op basis van de toen vigerende ideeën over de behandeling van de geestelijk verwarde medemensch. De gebouwen werden in 1852 in gebruik genomen en fungeren nog altijd voor een deel als psychiatrische instelling. Het museum biedt drie 'luiken':
de geschiedenis van de psychiatrie, een fotocollectie vanaf 1860 en een verzameling werken van zgn. outsider kunstenaars. Op dit moment worden onlangs aangekochte assemblages van Francis Marshall (Fr.) tentoongesteld. Niet om vrolijk van te worden.